Toelichting op mijn benadering van de fotografie
Foto's verwijzen, i.t.t. schilderijen, primair naar de werkelijkheid en pas dan naar de maker. Foto's roepen eerder vragen op naar de plaats en de tijd van de opname. Een foto neemt de toeschouwer mee in ruimte en tijd. Dat heeft iets te maken met de fotografische techniek. Een foto wordt niet detail voor detail opgebouwd, zoals een schilderij, maar als regel in één keer in zijn geheel gemaakt. De fotograaf kan een groothoek- of juist een telelens nemen, een ander standpunt kiezen, filters voor zijn lens zetten en nog veel meer, maar wat hij ook doet, de effecten raken – en maken – de foto als geheel. De relatie tussen foto en onderwerp is als het ware in een formule uit te drukken. Die relatie blijft in stand, ook in de nabewerking op de computer of in de donkere kamer. Pas als we gaan knippen en plakken wordt die doorbroken; dan spreken we niet meer van foto’s, maar van op foto’s gebaseerde kunst zoals fotomontages of collages.
In mijn fotografie is dit primaat van de werkelijkheid met de bijbehorende houding van de toeschouwer het uitgangspunt. Ik wil als het ware een visuele ervaring met de toeschouwer delen. Beschikbare technieken van fotografie en nabewerking gebruik ik om wat mij raakt en opvalt ook tot uiting te laten komen in het beeld. Daarbij experimenteer ik graag, bijvoorbeeld door de camera te bewegen om irrelevante details te vervagen en structuren te versterken, of ik neem verschillende foto's over elkaar heen om uiteenlopende facetten van het onderwerp in één beeld te verenigen. Op die manier wil ik uitdragen: ‘kijk, zo had je dit kunnen zien als je op dat moment ook daar was geweest’. Ik wil dus niet zeggen: ‘kijk, zo was het’, maar ‘kijk, zo had je het kunnen zien’. Daarmee appelleer ik niet alleen aan de menselijke vermogens om zich in gedachten te verplaatsen in ruimte en tijd, maar ook aan het menselijke besef van ‘mogelijkheid’ – het besef dat je iets ook ánders zou kunnen zien en dat het maar de vraag is wat de ‘echte’ werkelijkheid dan is...
Uiteraard zal elk beeld bij iedere toeschouwer weer een eigen visuele ervaring oproepen en het zal moeilijk vast te stellen zijn in hoeverre deze correspondeert met wat ik in het beeld heb willen vastleggen. Dat is een probleem bij alle communicatie, maar waar dat bij informatief bedoelde communicatie (bv. een instructiefoto) een struikelblok kan zijn, is dit bij artistieke communicatie eerder deel van het proces. Bij een gedicht, een roman, of een artistieke foto is de feitelijke ‘correctheid’ van de waarnemende ervaring niet het doorslaggevende criterium. Waar het om gaat, is dat het kunstwerk bij de toeschouwer het besef van mógelijke ervaring oproept en voedt. Reflectie en discussie over de betekenis van een kunstwerk is dan geen kwestie meer van ‘goed’ of ‘fout’, maar van reflectie en discussie over onze menselijke zijns- en ervaringsmogelijkheden.
Back to Top